vrijdag 25 september 2015

ALICE, HERLEZEN


Het was lang geleden dat ik Alice in Wonderland had gelezen. In de tijd waarin gegiecheld werd na een joint, klaboum of tsjilm vol Rode Libanon en waarin de absurdistische humor van Monty Python onze lachkick verder aanjoeg had het boek een iconische status. Jefferson Airplane zong erover in het losjes op Ravels Bolero gebaseerde White Rabbit, dat ik grijs draaide op mijn verduisterde jongenskamer. Het was een magisch boek waarin het allemaal al beschreven werd, ruim een eeuw voordat wij het meemaakten: de vervorming van de werkelijkheid, de ontteugeling van de fantasie, de vrolijke chaos van sprekende dieren en bezielde voorwerpen.
Het viel me tegen, toen. Ik vond het nogal droog. En nu ik het zoveel jaar later herlees vind ik dat nog steeds. Ik begrijp ook heel goed waarom het boek destijds niet tot me sprak: ik had er de geheimzinnige betovering van een vreemd sprookje in willen vinden, maar die was ver te zoeken. De wereld van Alice had niets mysterieus, niets romantisch – er heerste het schelle daglicht van de ratio; dat die ratio gespiegeld was deed daar niets aan af. Het boek en zijn vervolg Through the Looking Glass moeten het vooral hebben van taalspelletjes en 'mindgames': de academische logica wordt los gelaten op alledaagse begrippen die daardoor op hun kop komen te staan; niets is meer wat het lijkt, alles kan en daardoor is op den duur niets meer leuk. Net als in het vierde seizoen van Monty Python (het Cleese-loze seizoen), waarin het absurdisme op de top wordt gedreven, niet meer contrasteert met de omringende werkelijkheid, en daardoor zijn houvast verliest en te pletter valt.
Het is natuurlijk een leuk idee om staande uitdrukkingen tot leven te brengen, zoals Carroll deed met The March Hare; 'zo gek als een maartse haas', zei men, dus verzon Carroll een haas van die naam die zo gek is als een deur. (Hadden ze die uitdrukking gekend in het 19e-eeuwse Engels dan was er misschien een wartaal sprekende deur in het verhaal geweest.) Maar dergelijke vondsten zijn slechts goed voor het kortstondige glimlachje van de goede verstaander.
Carrolls spelletjes en bizarre dialogen zouden misschien écht leuk geweest zijn als ze afgezet werden tegen de ‘normale’ belevingswereld van een hoofdpersoon met wie we ons konden identificeren. Iemand van vlees en bloed. Maar het meisje Alice is een nogal vlak creatuurtje, dat zich wel verbaast over al het vreemde dat ze tegenkomt, maar er niet in haar hart door wordt geraakt. Het voornaamste verschil tussen Alice en al die sprookjesfiguren is dat zij niet contactgestoord is. Alles leeft en beweegt in zijn eigen kleine, rare universum, Alice houdt oren en ogen goed open en probeert zich in te leven in die absurde realiteiten. Iets waar ze overigens niet in slaagt: hoewel ze wandelt door een levend sprookje staat ze met beide beentjes kordaat op de grond, deze jongedame.
Carroll, of Charles Lutwidge Dodgson, zoals hij eigenlijk heette, valt dat alles nauwelijks aan te rekenen. Deze wiskundige en geestelijke (1832-1898) verzon het verhaal slechts om de dochters van een collega te amuseren, de meisjes Lorina, Edith en Alice Liddell. Het zat boordevol verwijzingen naar hun persoonlijke interesses en omstandigheden. Verwijzingen die er voor de latere lezer niet meer toe doen, maar koren op de molen van de geleerden waren, die het werk op de snijtafel hebben gelegd en het ampel van erudiete voetnoten hebben voorzien. Carroll ging hen daarin voor, want de boeken werden gepubliceerd, vonden een breed publiek en werden al gauw klassiek. Geen Victoriaanse kinderkamer zonder Alice. Zelf moest de verlegen mathematicus ook wel gaan geloven in het enorme belang van zijn werk, dat hij tussen neus en lippen door, tijdens een roeitochtje met de meiden, had verzonnen.
Naar de reden van het enorme succes van Alice kunnen we slechts gissen. Het novelty-aspect zal zeker een rol gespeeld hebben. Want wie zoals ik lauw is over de kwaliteiten van het boek, moet niet vergeten dat Carroll iets ongehoords op de wereld zette. Bij mijn weten is hij bijvoorbeeld de uitvinder van het ‘dimensiepoortje’: je betreedt, via een konijnenhol of een spiegel, een magische wereld, een ‘tegenwereld’. En als hij er al niet de bedenker van is dan is hij toch degene die de tastbare toegangspoort naar het rijk van de verbeelding populariseerde. De werkelijkheid bleek minder solide dan gedacht, de idee dat je er op onverwachte manieren aan kon ontsnappen werd gemeengoed. Later zou bijvoorbeeld C.S. Lewis een klerenkast gebruiken om in de wereld van Narnia te geraken. Om dichter bij huis te blijven: in de Bommelsage wemelt het van de magische deurtjes, poortjes en vensters, al of niet in werking gezet door een oloroon of dimensiehevelaar van Kwetal de breinbaas. En mijn tv-geliefde serie Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen zou nooit gemaakt zijn als Harry Geelen het voorbeeld van Carroll niet voor ogen had gehad.

(Illustraties: Sir John Tenniel (1820-1914), tekening voor Alice in Wonderland; foto van Carroll uit 1863, twee jaar voor de publicatie van Alice)

4 opmerkingen:

Vitalski zei

helaas, het in een put vallen om in een andere werkelijkheid te komen, heeft carroll (zo wist benno barnard mij onlangs reeds te vertellen) rechtstreeks overgenomen uit een boek van george macdonald... verder een zeer puik essay... en, ja: we zullen, wanneer je hier volgende week op radio klara komt, jefferson draaien; doe jij maar de aankondiging van die mooie song...

Jan-Paul van Spaendonck zei

Ach! Maar MacDonald heeft toch weer in Lilith (1895) de toegang via de spiegel van Carroll overgenomen... Zal eens wat van hem gaan lezen: ze hebben in de jaren '70 geprobeerd hem hier in vertaling te introduceren, maar dat is niet zo succesvol geweest, heb ik de indruk.

Roberto zei

Vitalski: u kunt zelfs het complete album "Alice in Wonderland", van de Duitse Krautrockband Neuschwanstein uit 1976 draaien!

Vitalski zei

dank voor de tip, roberto...